Het favoriete gespreksonderwerp van Nederlanders? Dat is natuurlijk het weer. Oók – of misschien vooral – als het tropisch warm is. Het zit in onze volksaard om precies te willen weten hoe warm en droog het is. En we raken niet uitgepraat over allerlei droogte- en warmterecords. Want meten is immers zeker weten …. Maar hoe is onze thermometer eigenlijk ontstaan?

Mensen doen al vanaf de oudheid weermetingen. Dat is logisch, want zeker in vroeger tijden was de mens erg afhankelijk van het weer. Meteorologie is wellicht al zo oud als de mensheid. In ieder geval schreef Aristoteles rond 350 voor Christus de Metereologica. Een lijvig boek waarin onder andere weerkundige verschijnselen beschreven en verklaard werden. Toch bleef het meten van temperaturen tot in de Renaissance waarschijnlijk ‘natte vingerwerk’.

Van thermoscoop naar thermometer
In 1593 bedacht Galileo Galilei een instrument waarmee je de temperatuur kon meten. Deze thermoscoop (ook wel florentijnse thermometer genoemd) bestond uit een verticale buis. Deze buis was van boven afgesloten met een bol. De open onderkant werd in een bak met water gezet. Bij hogere temperaturen zette de lucht in de bol uit en werd het water in de buis omlaag gedrukt. De thermoscoop was een prima instrument om bijvoorbeeld – en vooral niet al te nauwkeurig – de temperatuur van wijn te meten. Als weerthermometer was hij een stuk minder handig! Pas na de uitvinding van de barometer – in 1644 door Evangelica Torricelli – kwam er wereldwijd meer interesse in weermetingen en weersvoorspellingen. Nederland was daarin trouwens haantje-de-voorste. Uit dagboeken weten we dat al in 1621 in het stadhuis van Delft een thermometer moet hebben gestaan. Rond 1630 vond de Franse arts Jean Rey de kwikthermometer uit. Een betrouwbaar instrument om koorts én het weer te meten. Als je tenminste een betrouwbare schaalverdeling hanteer.

Het is buiten 100 graden!
Die schaalverdeling was (en is) nog wel een dingetje … Er is lang, veel en heftig over gediscussieerd.  Nog steeds bestaan er verschillende schalen om temperaturen weer te geven. De bekendste zijn natuurlijk Celsius en Fahrenheit. De Zweedse astronoom Anders Celsius definieerde in 1742 het vriespunt van water op 100 en het kookpunt van water op 0 graden. Ja dat leest u goed! In 1744 werd deze schaalverdeling omgedraaid. Waarom en hoe weten we niet. Maar we zijn inmiddels helemaal vertrouwd met deze schaalverdeling. In Engelstalige landen wordt vaak de schaal van Fahrenheit gebruikt. Deze Poolse natuurkundige – die overigens in Den Haag overleed – hanteerde als nulpunt de laagste temperatuur in zijn vaderstad Danzig tijdens de strenge winter in 1708/1709. Die was -17,8 graden Celsius. Als hoogste ijkpunt nam Fahrenheit de temperatuur van een gezond mens. Hij stelde die op 96 graden. Het derde ijkpunt voor Fahrenheit wat het vriespunt. Onze nul graden zijn bij hem 32 graden. Een heel andere schaalverdeling dus. Veel buitenthermometers geven de temperatuur in Celsius en in Fahrenheit aan. Zo kon het gebeuren dat mijn zoon vorige week geschrokken uitriep: “Het is buiten 100 graden!” Waarna zijn zus hem koeltjes wees op de Celsiusschaal met ‘slechts’ 37,7 graden ….

Hubertine van den Biggelaar
storyteller bij www.anno04.nl

N.B.: Bij Anno’04 lopen we altijd warm om u verhaal te vertellen … Ook tijdens de zomervakantie!

De foto bij dit artikel is afkomst van www.gahetna.nl.