De bouwvak is in aantocht. Doet u – net als vroeger – de deuren van uw bedrijf op slot? En is uw reis al lang gepland of gaat u op de bonnefooi weg? Hoe dan ook: reis mee naar het verleden van de bouwvakvakantie …

De bouwvakvakantie duurt nu twee weken. Dat is een stuk langer dan de eerste bouwvak in 1930. Die duurde maar drie dagen! Net als nu was de bouwvak geen wettelijke verplichting, maar een afspraak die in de cao werd vastgelegd. De wet collectie arbeidsovereenkomst was in 1930 trouwens nog maar drie jaar ingevoerd. De wettelijke erkenning van de cao bestond al vanaf 1907 en in 1911 werden in de eerste cao van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond een 48-urige werkweek, een 8-urige werkdag én vakantiedagen vastgelegd.

Van drie dagen naar drie weken
In 1929 werd voor het eerst in de cao van de bouwsector het recht op vakantie volgens een vaste bedrijfssluiting opgenomen. Vandaar de naam bouwvak(vakantie). Werknemers hadden recht op drie achtereenvolgende vrije dagen. Dat zou snel meer worden: veel cao’s legden in de jaren 30 een bouwvak van twee weken vast. Dat had een onvoorzien effect. Iedereen ging in Nederland (en vaak ook nog in eigen land) tegelijkertijd met vakantie. Pensionhouders klaagden over de enorme werkdruk tijdens de bouwvak en de spoorwegen n dat ze wegens de drukte al het reservemateriaal moesten inzetten. Ook hadden vakantiegangers last van een gebrek aan bussen en rijwielen. Om de enorme vakantiedrukte te verminderen werd in 1942 een gespreide zomervakantie voor scholen ingevoerd. Sommige cao’s of bedrijven verboden zelfs kinderloze arbeiders om tussen 1 juli en 1 september op vakantie te gaan! Van een spreiding in de bouwvak was toen nog geen sprake. Toch bood deze eerste schoolvakantiespreiding enige tijd soelaas. Vanaf 1965 duurde de bouwvak vijftien dagen oftewel drie werkweken. En opnieuw werd de oplossing gezocht in de vakantiespreiding van scholen. Uiteindelijk zou dit leiden tot het huidige model van 3 regio’s voor de vakantiespreiding. In navolging van de scholen begint inmiddels ook de tweeweekse bouwvak in de drie landelijke regio’s op een andere datum.

Vakantiebonnen
Aan het begin van de 19de eeuw was overigens het vertrouwen in de arbeider nog niet zo groot. Zo kregen de bouwvakkers geen vakantiegeld maar vakantiezegels. Deze ‘vakantiebonnen’ konden de werknemers bij een derde partij (bijvoorbeeld een bank) omzetten in vakantiegeld. Wekelijks of maandelijks een extra bedrag bovenop het salaris als vakantiegeld? Dat vonden de werkgevers maar een eng idee. Hun angst was dat werknemers dan hun hele salaris op zouden maken en geen geld zouden reserveren voor de vakantie. Maar het systeem van vakantiebonnen was zeker niet waterdicht. Er werd veelvuldig fraude gepleegd en er ontstond een levendige, ondergrondse handel in vervalste vakantiezegels. Dat was uiteraard een doorn in het oog van de werkgevers én wetshandhavers. In 1946 werd daarom het ‘Vacantiefonds’ geïntroduceerd. De werkgever maakte voortaan elke maand een vast bedrag over aan dit fonds. De werknemer kreeg vervolgens een afschrift met zijn vakantietegoed. Deze fondsen hebben lang bestaan en sommigen zijn nog steeds actief. Werkgevers zijn inmiddels massaal teruggekeerd naar een jaarlijkse vakantie-uitkering. In mei ontvangen werknemers geen vakantiezegels maar hun jaarlijkse vakantiegeld. Wat wel is veranderd: ze mogen nu zelf beslissen of ze dit geld ook daadwerkelijk gebruiken voor een vakantie …

Hubertine van den Biggelaar
storyteller bij www.anno04.nl

NB: samen met mijn collega’s van Anno ’04 doe ik ook aan vakantiespreiding. Daarom zijn we de hele zomer voor u bereikbaar!